De competenties van een tekschrijver

Een oud-collega stond volgens afspraak op de stoep. Hij zoekt een nieuwe richting in zijn arbeidzame leven en overdenkt de mogelijkheid om tekstschrijver te worden. Of hij daarover eens van gedachten met mij kon wisselen. “Welke competenties heb je nodig?”, luidde zijn eerste vraag. Meteen stelde ik vast dat ik liever zelf interview dan dat ik vragen op me afgevuurd krijg. Ik ben meer schrijver dan prater. “Euhm…”, was daarom het enige woord wat ik zo snel kon bedenken.

Ondanks dat ik 25 jaar tekstschrijver en journalist ben, denk ik nauwelijks na over wat je daarvoor moet kunnen. De kwaliteiten die je moet hebben, zijn in zekere zin vanzelfsprekend voor mij. Zonder aangeboren talent kom je niet echt ver in dit vak. Buiten dat heb ik het geluk dat ik in militaire dienst toevallig telexist was. Daardoor tik ik met een snelheid die Max Verstappen bijna jaloers maakt. En daarmee heb ik meteen mijn belangrijkste kracht te pakken. “Je moet snel kunnen werken…”, zei ik daarom tegen mijn ex-collega.

Sneller dan ooit zelfs, opdrachtgevers zijn steeds vluchtiger. Ze bellen vandaag met de vraag of ik morgen een tekst kan aanleveren. Met mijn achtergrond als nieuwsjournalist vind ik dat geen probleem, wel leuk zelfs, maar als nieuwkomer in het vak moet je daarop voorbereid zijn. Diezelfde achtergrond brengt ook mee dat ik over bijna elk onderwerp wel kan schrijven. Van politiek en sport tot technische onderwerpen. Dat bracht me op de tweede tip. “Voor de meeste opdrachtgevers vertaal ik jargon of vaktaal in woorden die iedereen begrijpt. Zorg dat je een tekst op een doelgroep richt”, kwam ik zowaar wat op dreef.

“Kijk niet op een uurtje meer of minder…”, strooide ik met de volgende oneliner. Ook niet als dat uurtje in de avonduren of in het weekeinde valt. Wie journalist of tekstschrijver is, moet aan de bak als anderen op de bank liggen of een hobby uitvoeren. En tijdens vakanties kan het verre van kwaad om toch regelmatig de laptop te openen. “Kun je eigenlijk van schrijven leven?”, vroeg de ex-collega. “Ja hoor”, zei ik. “Maar je kunt maar beter geen uurtarief loslaten op je werkzaamheden”, voegde ik er glimlachend aan toe.

Ik vroeg me af of ik de dagelijkse praktijk niet wat al te zwartgallig voorstelde. “Je komt wel in het mooiste beroep van de wereld terecht hoor”, besloot ik daarom mijn referaat. Ik meende het nog ook.